| Rhinopneumonie |
|
|
|
| maandag, 29 juni 2009 12:19 |
|
Rhinopneumonie Rhinopeumonie is een virus dat behoort tot de groep van de herpesvirussen. Deze groep van virussen heeft een aantal zaken gemeen, waardoor hij berucht is bij mens en dier. Bij de mens is de koortslip waarschijnlijk de meest bekende. Na besmetting met het herpes simplex virus ontstaat de koortslip. Het lichaam maakt wel afweerstoffen tegen dit virus, maar de weerstand die ontstaat is niet hoog genoeg om het virus uit het lichaam te verwijderen. De symptomen (de koortslip) zullen verdwijnen. Op het ogenblik echter dat de weerstand van een lichaam wat lager is, bijvoorbeeld door een slechte conditie, menstruatie of het doormaken van een andere infectie ziet het virus weer kans om op te spelen en komt de koortslip weer terug. Wat zijn de gevolgen van zo'n dragerschap: Waarom geven herpesvirussen nogal eens aanleiding tot het ontstaan van dragerschap? 1. Vaak het lichaam niet voldoende aanzet tot de productie van antilichamen (afweerstoffen) Dragerschap is na het doormaken van een herpesvirusinfektie vaak een groot probleem. Volgens specialisten op het gebied van Rhinopneumonie van het paard, zou dat in 30 tot 40% van de gevallen zijn. Besmettelijkheid Onder besmettelijkheid kan men verscheidene zaken verstaan. De afstand waarbij een infectie overgebracht kan worden. Herpesvirussen zijn niet zo klein en hebben dan ook een vrij nauw contact nodig om van het ene individu op het andere over te gaan. De koortslip zal niet van de ene mens naar de andere waaien, er is een vrij direct of indirect contact nodig voor de besmetting. Van het rhinopneumonievirus wordt aangenomen dat er bij een afstand enige meters al geen overbrenging meer mogelijk is. Dit geldt natuurlijk niet voor voorwerpen die meegenomen worden. Door snot van het ene paard naar het andere te brengen kun je natuurlijk het virus overbrengen. Vruchtwater van een door het hinopeumonie aborterende merrie bevat ook erg veel virusdeeltjes (schoenen vingers gereedschappen enz). Het inactief worden in de buitenwereld: De hoeveelheid virus die nodig is om een infectie te laten beginnen: Samenvattend kunnen we zeggen dat: Rhinopneumonie vaak dragerschap geeft.
Het virus is niet erg besmettelijk; in die zin dat er een vrij nauw contact moet zijn met het paard dat het virus bij zich draagt. Ook een paard dat afweerstoffen heeft kan de ziekte door maken als de infectiedruk hoger is dan de weestand die hij/zij heeft. Het klassieke verhaal van een stal met Rhinopeumonie is dan ook: Bij de introductie op een stal van meerdere dieren die geen weerstand hebben (vaak jaarlingen) worden deze besmet met het virus door dragers. Op het ogenblik dat deze dieren de ziekte doormaken stijgt de infectiedruk op stal. Doordat er erg veel virus op stal is gaan ook die paarden die wel afweerstoffen hebben, toch weer de ziekte doormaken, waardoor er nog meer virus in de omgeving komt. Deze nog hogere infectiedruk kan ook dieren met een vrij hoge weerstand besmetten. In tegenstelling tot wat vaak gevreesd wordt raast een infectie niet door een streek, maar door een stal. Uit bovenstaande mag ook duidelijk zijn dat dieren die erg veel schade van een infectie kunnen oplopen (drachtige merries) apart gehuisvest worden in kleine groepen en zeker niet samen met jonge dieren, die bij het doormaken van de ziekte de infectiedruk enorm kunnen opvoeren. De ziekte Er zijn twee typen virus: het EHV-1 en het EHV-4. Er is een heleboel discussie of de verschillende typen verschillende ziektebeelden geven. Als dat zo is, geeft het EHV-1 vooral de abortus-vorm en de ataxie-vorm en de EHV-4 vooral de infecties van de voorste luchtwegen (zie hiervoor infecties van de voorste luchtwegen) Meestal verloopt de infectie als volgt: De infectie van de baarmoeder, die optreedt gedurende het doormaken van de ziekte, zorgt ervoor dat meestal na enige maanden een abortus optreedt (in Nederland is dit de belangrijkste reden van aborterende merries). Niet vaak voorkomend, maar zeer gevreesd, is de neurologische vorm. Door aantasting van het ruggenmerg kunnen paarden verlamd raken (ataxie). De aantasting kan van een klein beetje, tot zeer heftig zijn (door achterbenen zaken, en niet meer kunnen mesten). Waarschijnlijk ontstaat dit beeld omdat bij het doormaken van de infectie bloedvaten beschadigd raken en er zodoende zwelling in het ruggenmerg ontstaat. Een andere opvatting is dat een complex, gevormd door een virus met daaraan een antilichaam, vastloopt in bloedvaatjes van het ruggenmerg en hierdoor de beschadiging ontstaat (deze opvatting wordt steeds meer verlaten).
Een enkele keer, maar door ons toch al enige malen gezien, is de oog vorm. Doordat de infectie in de oogbol gaat zitten ontstaan er witte vlekken op de oogbol (in het hoornvlies). Als deze aandoening niet goed behandeld wordt , kan er een blijvende beschadiging van het oog ontstaan Keelvorm, deze aandoening zouden we hebben kunnen noemen onder A, maar hij geeft toch een wat apart beeld. De infectie handhaaft zich hierbij in de keel. Er ontstaat niet zozeer neusuitvloeiing , maar vooral hoesten en soms een wat snurkend geluid bij inspanning. Het buigen van het hoofd geeft bij deze paarden veel problemen( zie op onze site keelproblemen). Behandeling Voorkomen van het virus Herpesvirusinfecties bij andere diersoorten MENS RUND: I.B.R. VARKEN PAARD KAT Preventie Zoals we eerder zagen is het aanslaan van een infectie afhankelijk van de infectiedruk aan de ene kant en de weerstand van het dier aan de andere kant. Een geënt paard dat met een geweldige hoeveelheid virus wordt besmet, zal een maand of 2 na de enting toch weer de ziekte gaan doormaken. Als je echter (vrijwel) alle paarden op een stal ent met een behoorlijke regelmaat, dan wordt het rondzingen van een infectie zeer onwaarschijnlijk. Bij dragerpaarden zal er waarschijnlijk minder gauw virus uitgescheiden worden omdat het virus ook bij zo'n paard met meer antilichamen in aanraking komt. Het eventuele kleine beetje virus dat vrijkomt, zal doordat de andere dieren wel weerstand, hebben geen aanleiding geven om een infectie te veroorzaken. Om deze situatie te bereiken moeten alle paarden minimaal 2 maal per jaar worden ingeënt. Is de infectiedruk op een bedrijf erg groot, of is de schade die veroorzaakt kan worden erg groot (bijvoorbeeld bij drachtige merries), dan wordt een enting om de 2 maanden geadviseerd (drachtige merrie op de 5-7-9 maanden dracht en tevens zeker niet stallen bij jonge dieren). Deze adviezen komen niet alleen uit onze praktijk, maar zijn in diverse publicaties terug te vinden. hans Vestjens |